Wanneer werkt publiek-private samenwerking in toezicht?

Publiek-privaat toezicht raakt vaker ingebed in de werkwijze van toezichthouders. Zo steunt de Autoriteit Financiële Markten bijvoorbeeld op een private partij bij de toetsing van vakbekwaamheid en is in de bouw het werk van gemeenten grotendeels overgenomen door private controleurs. Wanneer kun je als toezichthouder leunen op private partijen en welke risico’s komen daarbij kijken? Onderzoeker Sanne de Lint van de Vrije Universiteit Amsterdam onderzocht publiek-private samenwerking in toezicht en laat zien wat werkt en wat niet.

Publieke toezichthouders kiezen niet lichtvaardig voor samenwerking met private partijen. “In mijn onderzoek zie je dat zo’n keuze meestal voortkomt uit druk op het bestaande toezicht”, zegt De Lint. “Na incidenten of bij toenemende complexiteit ontstaat de vraag of het anders kan. Uiteraard zonder het publieke belang los te laten.”

Het onderzoek
Zo leidde een reeks incidenten in de financiële sector tot de vraag hoe de vakbekwaamheid van beleggingsmedewerkers beter te borgen was. De sector kwam vervolgens met een eigen certificeringssysteem (DSI). De AFM kon zo aansluiten bij een bestaand en breed gedragen initiatief dat vakbekwaamheid structureel borgde. Dat zou de AFM op die schaal en met die diepgang veel capaciteit kosten. Dit is de eerste casus die De Lint onderzocht. De tweede speelde in de bouw. In deze sector koos de overheid ervoor het toezicht anders in te richten. Het idee was dat meer toezicht privaat kon plaatsvinden, zodat gemeenten daar minder capaciteit voor nodig hebben.

Lees verder via toezine.nl

Meer weten over wat de impact is van de toenemende samenwerking op het gezag en de effectiviteit van nationale toezichthouders? Kom dan naar de 9de editie van het jaarlijkse HCB Seminar ‘Toezicht in Transitie, dat plaatsvindt op 8 april in Luden, Den Haag. Waarin thema’s zoals het internationale, Europese en nationale speelveld, vormen van samenwerking en welke kansen en risico’s biedt samenwerking? Met sprekers waaronder Prof. dr. Esther Versluis (Universiteit Maastricht), Amma Asante (CvdM), Huub Janssen (RDI) en Paul van Dijk (zelfstandig adviseur).